Hij staat weer eens te vroeg op. Slapen lukt niet meer. Alweer niet. Zijn hoofd is wakker voordat zijn lichaam dat is. Alsof er ergens vannacht al een schakelaar is omgezet die niet meer terug wil.
Het is nog stil in huis. Te stil. De koffie is heet maar smaakt nergens naar. Hij staat tegen het aanrecht geleund en voelt zweet op zijn rug terwijl hij niets heeft gedaan. Zijn hartslag is hoog. Niet van spanning. Meer van uitputting.
De dag ligt voor hem alsof hij hem al kent. Dezelfde afspraken. Dezelfde gesprekken. En geen enkele energie om hem te leven. Er is niets mis. Dat is het vreemde. Tenminste, niets dat hij kan aanwijzen. Het bedrijf draait. De cijfers zijn keurig zwart. Geen brandjes. Geen alarmsignalen. De agenda zit vol met namen van mensen die op hem rekenen.
En toch voelt hij het al bij het openen van zijn laptop. Een leegte. Alsof alles wat hij normaal moeiteloos doet vandaag net buiten bereik ligt. Alsof hij er nét niet meer bij kan. Hij begint. Mail na mail. Antwoord na antwoord. Zijn vingers doen hun werk. Zijn hoofd ook. Op routine. Hij hoort zichzelf praten in gesprekken en denkt ondertussen: dit zeg ik altijd. De juiste woorden. De juiste toon. Beslissingen die logisch zijn. Niemand merkt iets. Dat is misschien wel het probleem.
Zijn shirt plakt. Hij voelt zich warm en koud tegelijk. Hij merkt dat hij sneller geïrriteerd raakt, korter antwoordt, zich afsluit. Niet omdat iemand iets verkeerd doet maar omdat hij niets meer te geven heeft. Er is geen moment waarop hij denkt: ik stop ermee. Ook geen paniek. Geen drama. Geen tranen. Geen grote gedachte. Alleen die ene zin die zich vastzet ergens tussen zijn ribben en zijn keel terwijl hij maar doorgaat:
Ik weet het eigenlijk even niet meer.
Niet wat hij wil. Niet waar hij naartoe werkt. Niet waarom hij hier ooit aan begonnen is. Hij herkent het patroon. Altijd herkent hij het patroon. Gewoon doorzetten. Nog even. Nog één gesprek. Nog één kwartaal. Nog één jaar misschien. Dat heeft altijd gewerkt. Maar vandaag voelt anders.

Aan het eind van de middag blijft hij zitten. De dag is voorbij maar hij kan niet opstaan. Zijn hoofd is vol en leeg tegelijk. Zijn lichaam voelt zwaar. Alsof hij iets draagt wat geen naam heeft. Hij denkt aan alles wat hij bij zich draagt. Aan verantwoordelijkheid zonder te weten waard deze eindigt. Aan het feit dat hij degene is die het overzicht moet houden terwijl hij dat zelf allang kwijt is. Niemand ziet het. Niemand vraagt ernaar. Want hij is degene die het altijd regelt.
’s Avonds thuis zegt hij weinig. Zijn vrouw vraagt hem van alles maar er komt niet veel uit. Hij heeft van alles te vertellen maar zegt niets. Hij kan het niet uitleggen. Hoe leg je uit dat alles klopt maar jij niet meer voelt waar je staat. Dat je leeg bent terwijl er niets is om leeg van te zijn. Gek toch?
Later die avond zit hij op de rand van het bed. Hij zweet nog steeds. Zijn hoofd blijft draaien. Gedachten zonder richting. Zonder conclusie. Bijna terloops pakt hij zijn telefoon. Niet heel gericht. Meer uit een behoefte aan houvast dan aan een oplossing.
Hij komt uit bij iemand die niet belooft het op te lossen. Die niet zegt dat het weer goed komt. Die geen stappenplan presenteert. Maar iemand die ruimte maakt voor het niet-weten. Een paar dagen later zit hij tegenover hem. Nog steeds lusteloos en wit kijkend. De kleur is volledig uit zijn gezicht. De schouders iets naar voren alsof hij zichzelf kleiner heeft gemaakt om het vol te houden.
Hij vertelt zijn verhaal zonder grote woorden. Over moe zijn zonder reden. Over zwetend wakker worden. Over het gevoel dat hij alles doet wat van hem verwacht wordt maar nergens meer zichzelf voelt.
Er wordt niet meteen gerepareerd. Geen analyse. Geen oordeel. Alleen aandacht. Tijd. Luisteren. En vragen die niet sturen maar openen. Dat alleen al voelt onwennig. Want hij is gewend dat hij degene is die antwoorden geeft. Nu hoeft hij ze niet te hebben.
Langzaam ontstaat er iets wat hij kwijt was: ruimte. Niet alles is ineens duidelijk. Maar hij merkt dat hij dit niet langer alleen hoeft te dragen. Dat hij hier even mag blijven waar hij is. Zonder te weten hoe het verder moet. De methode is geen methode. Het is vertraging.
De eerste stap is niet vooruit maar omlaag. Uit zijn hoofd. Uit zijn verhalen. Naar wat hij voelt als hij stopt met verklaren. En daar zit meer dan hij dacht. Vermoeidheid die helemaal niet fysiek is. Boosheid die hij nooit ruimte gaf omdat het niet professioneel was. Rouw om keuzes die logisch waren maar hem iets van zichzelf hebben gekost. Er wordt gekeken naar hoe hij altijd degene is geweest die doorging. Die verantwoordelijkheid nam. Die het overzicht hield terwijl hij zichzelf verloor. Niet om schuld aan te wijzen. Maar om te zien.
De tweede stap is erkennen wat hij jarenlang nodig had om te overleven. Controle. Structuur. Presteren. Dat waren geen fouten. Dat waren oplossingen. Maar wat hem ver heeft gebracht begint nu tegen hem te werken. Dat inzicht is geen bevrijding. Het doet pijn. Omdat het betekent dat hij niet zomaar kan doorgaan zoals hij altijd deed.
Dan komt de derde stap. Grenzen voelen. Niet bedenken maar ervaren. Wat kost hem energie. Wat voedt hem niet meer. Welke rol hij speelt hij waar hij eigenlijk mee zou moeten stoppen. Dat vraagt stilte. Eerlijkheid. En het loslaten van het idee dat hij altijd moet weten waar het heen gaat.
Pas daarna ontstaat voorzichtig enige vorm van richting. Niet als een ingekaderd plan. Niet als strategie. Maar als een innerlijk kompas dat weer voelbaar wordt. Richting ontstaat hier niet door harder te denken maar door zachter te worden waar hij altijd hard is geweest. Door verantwoordelijkheid niet langer te verwarren met zelfverwaarlozing. Door opnieuw te kiezen vanuit wie hij is en niet alleen vanuit wat er van hem verwacht wordt.
Dit is geen succesverhaal. Geen transformatie in één sessie. Geen traject van weken. Geen quick fix. Dit is werk. Innerlijk werk. Dat pijn doet voordat het rust geeft. En soms begint echte richting niet met weten maar met durven zeggen:
Ik weet het even niet. En ik hoef het vandaag ook nog niet te weten.